Je vraagt de ander een naam in gedachten te nemen.
Zelf schrijf je de naam op een briefje en legt die gesloten in een pot.
Dan zegt de ander de naam: Arnoud.
Je vraagt de ander een land in gedachten te nemen.
Zelf schrijf je het land op een papiertje en legt die in een pot.
Dan zegt de ander het land: Rusland.
Je vraagt de ander om een voorwerp in gedachten te nemen.
Zelf schrijf je het voorwerp op een papiertje en left die in een pot.
Dan zegt de ander het voorwerp: Schroevendraaier.
Als laatste vraag je de ander te kiezen tussen zwart of wit.
Zelf schrijf je de keuze alvast op een papiertje en legt ook die in de pot.
Dan zegt de ander de keuze: Zwart.
Je vraagt de ander de pot te openen en de papiertjes voor te lezen.
Op de papiertjes staat: Schroevendraaier, zwart, Arnoud en Rusland...
Hoe kun je nu precies voorspellen wat de ander gaat opschrijven?